We keep in touch

De zon zakt langzaam richting horizon. Het daglicht dringt de donkere nacht steeds verder terug. Met 10 uur in de avond worden de dagen steeds langer. In het schemerlicht zoef ik met de tram Tallinn door. Op weg naar mijn studio. Zo net ben ik wezen eten bij Liina, de eigenaar van de studio waar ik de afgelopen weken verbleef. Ik kijk naar buiten naar plekken die vertrouwd aanvoelen, maar welke een nieuwe betekenis hebben gekregen de afgelopen dagen.
Ik probeer alles te laten bezinken. De laatste volle dag Estland is bijna ten einde. Wat heb ik allemaal gezien? Wat heb ik allemaal gehoord? Welke mensen heb ik ontmoet? Het is allemaal nog teveel om precies te beschrijven. Het moet nog een plek krijgen als ik straks terug ben in Rotterdam. Vast staat dat ik prachtige mensen heb ontmoet. Ieder uniek op zijn eigen manier. Mensen met persoonlijke en tastbare verhalen. Zij namen mij mee op tijdreis door hun leven. Ik voel mij vereerd dat zij mij deelgenoot hebben gemaakt van hun leven doormiddel van verhalen, foto’s of plekken die wij bezochten.
De tram piept als we de bocht om gaan. We rijden langs het café waar ik vorige week mijn eerste afspraak had met Saara. Nog niet wetend wat al die verhalen met mij zouden doen. De ontmoetingen, de verhalen ze zetten mij aan het denken over de definitie van vrijheid. Wat houdt vrijheid in? En wanneer leef je in vrijheid? De belevenissen maakten mij bewust over waar ik vandaan kom en hoe Nederland mij heeft gevormd. Ik sprak met mijn leeftijdsgenoten over de actualiteit, hun toekomst en hun verleden. We vergeleken onze werelden. We zagen de verschillen en de overeenkomsten. Hoe zou het zijn als ik daar of zij hier in Nederland zouden zijn opgegroeid? Ik hing aan hun lippen en zij aan de mijnen. Ik was verrast door de openheid waarmee ze mij ontvingen. De knuffels die ik na een ontmoeting kreeg. De vriendschappen die ik sloot.
Een stem kondigt de volgende tramhalte aan: ‘Järgamine peatus, Liinahal’. Ik schrik op uit mijn gedachten. De oude tram komt piepend tot stil stand. Ik sta op en verlaat de tram. In gedachten loop ik verder naar de studio. De hemel is ondertussen donker blauw gekleurd. De eerste sterren verschijnen. Ik loop onderaan de oude stadsmuur die de stad beschermde in de middeleeuwen. Het is koud. In de straat hangt de geur van bruinkool. Nog een keer probeer ik Tallinn in detail op te nemen. De laatste kostbare uren zijn aangebroken en alle ervaringen suizen na in mijn hoofd. Deze verzameling aan ervaringen neem ik mee terug als schatten. Terug in Nederland ga ik ze ordenen en beschrijven. Maar er komt meer. Estland leer je niet in twee weken kennen. Ik kom weer terug. De grove schetsen heb ik nu, maar deze wil ik verder uitwerken. Kortom nog vele mooie verhalen, ervaringen en beelden te gaan. We keep in touch!

foto (1)

Where are you from?

Ik zit in de bus in Tallinn. Het is fris vandaag. De afgelopen dagen waren zonnig, bijna warm. Ik kijk naar buiten naar de houten huisjes die de bus passeert. Naast mij zit Liisa. We zijn onderweg naar de plek waar zij is opgegroeid. In december 1991, de koudste winters sinds jaren, werd ze geboren in de wijk Lasnamäe. Deze is gebouwd tussen 1970 en 1990. Het is de drukst bevolkte wijk van Tallinn en met haar 118.000 inwoners de grootste. Dat is bijna 1/3 van alle inwoners van Tallinn. De wijk is gebouwd op rotsen van kalksteen. Bomen kunnen er bijna niet groeien vanwege de onvruchtbare ondergrond. Hierdoor oogt het er kaal. Onder de Esten staat de wijk daardoor bekend als de niet meest gezellige buurt.
Meer dan de helft van de inwoners in Lasnamäe is Russisch. Direct merkbaar als we de bus uitstappen. Overal om hij heen hoor ik Russisch. We staan aan de hoofdweg welke de wijk Lasnamäe in twee delen verdeelt. Ik kijk op zij naar Liisa om haar reactie te zien. Het is voor haar alweer een paar jaar geleden dat zij op deze plek was. Zeven jaar terug verhuisde ze naar een andere buurt in Tallinn. Ze was toen 15 jaar oud. In gedachten kijkt ze voor zich uit. Ze meent zich te herinneren dat verderop de markt was. We besluiten daar naar toe te lopen. Terwijl we tussen de hoge betonnen flats lopen bedenk ik mij dat dit het is hoe wij ons Oost-Europa voorstellen. Grauw, somber en functioneel. Voor mijn idee ben ik onderdeel van een film, een setting. Ik herken het, maar ook weer niet.
We komen aan op de plek waar vroeger de markt was. Liisa herkent het bijna niet. Waar ooit een markt was met kramen, rond rennende kinderen, schreeuwende kooplui, waar de geur van zuurkool, wodka en worst hing, daar staat nu een grote Maxima. De Maxima is een winkelketen vergelijkbaar met de Lidl. Even blijft Liisa staan. Ze zucht. Jammer zegt ze. Anders had ik je nu de plek kunnen laten zien waar ik altijd koekjes kocht. We lopen verder en kijken naar de winkels. Af en toe lopen we naar binnen om te kijken of de tijd alle sporen echt heeft uitgewist. Tevergeefs, op de Russische producten na is het overgrote deel ten onder gegaan aan de supermarktketens. Kletsend over supermarkten vervolgen wij onze weg. We lopen de route die Liisa altijd liep als zij met haar oma naar de markt ging. In de eerste levensjaren van Liisa is ze grotendeels opgevoed door haar oma. Ze ging niet naar de crèche, dat was nog niet algemeen goed, maar haar ouders moesten wel werken. In haar eerste herinneringen komt dus bijna altijd haar oma voor.
Liisa vertelt dat er grootse plannen waren voor de wijk Lasnamäe. Er zou een theater komen, een bioscoop, winkelcentra, sportcentra en een saunacomplex Het idee was dat er een stad in een stad zou komen. Door de val van de Sovjet-Unie is dit nooit gerealiseerd. Hierdoor daalde de huizenprijzen in jaren 90 en verloederde de buurt. Terwijl we de hoofdweg oversteken vraag ik aan Liisa hoe het was om hier op te groeien. Ze stopt met lopen en draait zich om. ‘Kijk, zie je die flats daar?’ vraagt ze aan mij. Ik knik. Aan de overkant van de straat staan drie flats met een soort betonnen blokken boven op. ‘Deze flats, dat waren voor mij kastelen als klein kind. Ik geloofde er sterk in dat al deze betonnen flats, en met name die aan de overkant, de nieuwe kastelen waren. Ik was een prinses in een kasteel. Ik was er heilig van overtuigd dat dit in de toekomst de nieuwe kastelen zouden zijn net zoals vroeger in het oude centrum van Tallinn’. We lopen verder terwijl de fantasie van Liisa in mijn gedachten rond zweeft. Ik kijk om mij heen en voel mij klein tussen al deze hoge betonnen flats. Ik probeer mij te verplaatsen in een kleine Liisa die hier zo’n 15 jaar geleden rond liep. Hoe zou mijn leven er uit hebben gezien als ik hier was opgegroeid?
Liisa tikt mij aan, ‘Kijk!’ zegt ze. Ze wijst naar een oude kiosk die mij ontgaan was als Liisa mij er niet op attendeerde. Ze is blij om de kiosk te zien. Volgens haar ziet deze er nog precies zo uit als vroeger. Ze vertelt dat ze daar ooit een grote koek had gekregen van de kioskhouder. Met een onderzoekende blik kijkt ze naar de kiosk die er nu verlaten bij ligt. ‘Niet alles verandert hier dus’ zegt ze.
We lopen over de brug onder ons loopt de hoofdweg van Tallinn. Hier zie je pas echt goed hoe groot Lasnamäe is. Aan beiden kanten zijn alleen maar gebouwen te zien. Eenmaal de brug over worden wij weer opgeslokt door het beton. Niet alles is beton. Van veraf oogt dit wel zo, maar elke groep flats heeft zijn eigen stuk groen. Het is vergelijkbaar met een grasveldje waar vrouwen de was ophangen en kinderen buiten kunnen spelen. Vroeger waren deze plekken niet zo populair. Te onveilig door gebrek aan geld. Liisa vertelt dat de meesten daarom verdwenen zijn.
Al wandelend zijn we ineens de flats voorbij. Opzij kijkend zien we een grote nieuwe speeltuin. Verderop worden nieuwe huizen gebouwd. ‘Goh, als hier vroeger zo’n speeltuin was geweest dan had ik mijn ouders gesmeekt om hier te blijven’ zegt Liisa. We lopen langs de speeltuin met uitgelaten kinderen en slaan de bocht om. De straat meen ik te herkennen, maar we zijn hier nog niet geweest. De straat lijkt voor mij op de straat van verder op en op die daarna en op de straten van toen straks. Er is bijna geen verschil. Voor Liisa wel. Plots blijft ze staan op de hoek van de straat. Liisa telt de verdiepingen van de flat tegenover ons. Op de zesde verdieping stopt ze met tellen. Een raam met een blauw gordijn. Haar slaapkamer 23 jaar geleden.

1
2
3
4

Het bankje in Tammsaare Park

Ik zit op een bankje in de zon. Mensen passeren, op weg naar een onbekende bestemming. Ik bekijk ze. Ze zijn uitgelaten en blij. Je kan merken dat de Esten gelukkig zijn met het idee dat de dagen langer duren en dat het eindelijk weer mooier weer is. Langzaam kust de zon Estland wakker.
Naast mij hebben twee mannen een intense conversatie. Ze zitten allebei apart op hun eigen bankje. Ik kan niet echt peilen of ze elkaar net hebben ontmoet of dat zij elkaar al langer kennen. Diverse blikken bier, halfvol en leeg, vormen een muurtje om hun heen. Misschien is dat wat hen bindt? Het bier? De ene man op het linker bankje is nog vrij jong. Ik schat hem begin 30. De andere man op het rechter bankje is ouder. Ik denk dat hij eind 50 is. Ze voeren een fanatiek gesprek. Ik zit net een bankje te ver om te verstaan wat ze zeggen. Aan de hand gebaren te zien zal het waarschijnlijk over grote wereld problemen gaan. Af en toe vallen er korte stiltes waarin de net vertelde woorden in de hoofden worden verwerkt. De jongeman staat ineens op van zijn bankje. Hij vraagt of zegt iets tegen de oude man en loopt vervolgens weg. Ik raak afgeleid en verlies de jongeman uit het oog. Nu weet ik niet waar hij heen liep of wat hij gaat doen. Misschien gaat hij nog meer bier halen? Ik kan het alleen maar invullen.
Een blonde vrouw en een blond meisje van 10, wellicht moeder en dochter, pikken het bankje van de jongeman in. Althans pikken, de vraag is nog steeds of hij terug komt. De blonde vrouw en het blonde meisje weten van niks. Het enige wat nog rest zijn de lege bier blikken als stille getuigen. Ineens zie ik achter de blonde vrouw en het blonde meisje de jongeman weer verschijnen. Hij kijkt verwarrend. Bij elkaar is hij drie minuten weg geweest en zijn bankje is bezet. Hij moet nu wel op het bankje van de oude man gaan zitten. Vooruit dan maar. De jongeman vist iets uit zijn jaszak. Een pakje sigaretten, daarom ging hij dus weg. Weifelend gaat hij zitten op het uiterste puntje van het bankje van de oude man. Ze zetten het gesprek weer voort. Af en toe kijkt de jongeman opzij. Jammer, zijn bankje is nog steeds bezet. Ze blijven nog tien minuten intensief kletsen. In eens valt het gesprek stil. Ze staren voor zich uit, naar de auto’s die langs rijden, de mensen die voorbij wandelen. Beiden bevinden ze zich weer even in hun eigen wereld. De jongeman is er klaar mee. Zijn blik bier is leeg. Het wordt tijd om te gaan. Hij staat op. De oude man reageert door ook op te staan. Hij geeft de jongeman een hand. Aan zijn ernstige blik te zien zegt de oude man een aantal wijze woorden. Vervolgens legt hij zijn hand op zijn borst en knikt. De jongeman knikt terug en klopt de oude man op zijn schouder. Waarschijnlijk kende ze elkaar niet en is er net in dit kleine halfuur een nieuwe vriendschap ontstaan. De oude man gaat weer zitten. De jongeman zwaait en loopt weg. Hij loopt naar de stoplichten, steekt over en verdwijnt. De oude man blijft nog even zitten tot zijn flesje bier leeg is. Hij zucht diep en kijkt om zich heen. Hij staat op en loopt weg. Ook hij verdwijnt.
De blonde vrouw en het blonde meisje besluiten ook te vertrekken. Zij lopen langs mij heen en verdwijnen tussen de mensen. Nu zijn beide bankjes weer leeg. Naast een paar lege blikken bier zijn de sporen van wat zich zo net voltrok verdwenen. Er komt een meisje aan van ongeveer twaalf jaar. Ze gaat zitten op het bankje van de oude man, niet wetend wat daar zojuist is besproken en welke vriendschap er is gesloten. Het meisje pakt haar mobiel uit haar tas. Een nieuw verhaal begint.

For English:  Continue reading

I think I know this place

Vliegen is voor mij het overbruggen van twee werelden. De wereld waar je vandaan komt en de wereld waar je naar toe gaat. Tijdens mijn vlucht naar Tallinn bereid ik mij voor op de wereld die mij straks staat te wachten. In tegenstelling tot verleden jaar is het doel nu anders. Vorig jaar vertrok ik met het doel om te studeren. Nu vertrek ik om te ontmoeten en te reageren om vervolgens werk te creëren.

Het vliegtuig zeilt boven de wolken. Het videoscherm geeft aan dat wij ons nu ergens boven Litouwen bevinden. Nog een klein uurtje en dan ben ik in Helsinki. Eenmaal geland moet ik vijf uur wachten voordat ik verder kan vliegen naar Tallinn. Het is druk in Helsinki. Veel Aziaten proberen hun vertrekkende vluchten te halen naar Hongkong of Seoel. Ik zoek naar een rustige plek waar ik mijn gedachten op papier kan zetten.
Vorig jaar was ik hier ook. Toen lag er sneeuw en was het koud. Nu schijnt de zon en is het nog licht als ik om 20.00 uur in het propellervliegtuig stap. Het voelt weer als een avontuur. In het vliegtuig hoor ik sinds maanden weer Ests. We stijgen op en vliegen over de Finse golf terwijl de zon langzaam achter ons wegzakt. Het is 20 minuten vliegen naar Tallinn. Dat stelt niks voor. Na een paar minuten zie ik de Estse kust al verschijnen. Het voelt onwerkelijk. In juni vorig jaar ging ik weg met het idee dat ik voorlopig niet meer terug zou komen. Ik veegde een traan weg toen ik met de bus Tallinn achter mij liet. Het was nog niet klaar. Het was nog niet af, maar ik ging weg. Nu ben ik weer terug. Het vliegtuig raakt bijna de grond. Bijna daar. Bijna weer in Estland. Zachtjes landen we en taxiën we naar de terminal. Tijdens het taxiën komen we langs de oude terminal. Het lijkt op een treinstation. Dingen veranderen snel in Estland. Ik moet even wachten, maar dan mag ik naar buiten. Ik loop het trappetje af. Mijn voeten raken de Estse bodem. Ik ruik de frisse geur gemixt met bruinkool. Het typeert voor mij Estland. Het voelt als thuis komen.

De komende twee weken wil ik zo’n dertien gesprekken voeren. Ik ben erg benieuwd naar wat ik ga horen, zien en ervaren. Ik denk dat ik Estland nu een beetje ken, maar ken ik het land wel echt? Ik ben nieuwsgierig naar de komende dagen. De dagen waarin de observaties de woorden gaan vormen. De woorden de verhalen vormen en de verhalen de beelden worden.

For English:  Continue reading

February 24th

Graag neem ik je mee terug naar het moment dat de geschiedenis van Estland onder mijn huid ging zitten: 24 februari 2013 de Onafhankelijkheidsdag van Estland. Ik was nieuwsgierig naar deze dag. De vrijheid van Estland is 23 jaar jong. De geschiedenis staat nog vers in het geheugen en is nog tastbaar.

De Onafhankelijkheidsdag van Estland is een dag met een verhaal. Estland is in het verleden van 1918 tot 1940 onafhankelijk geweest. Op 24 februari 1918 werd Estland na de vrede van Versailles officieel als staat erkend. Om na 22 jaar weer ingelijfd te worden door Rusland. Als onderdeel van het Molotov-Ribbentroppact spraken Duitsland en Rusland af dat Estland Russisch grondgebied werd. Tot groot verdriet van de Esten moesten zij hun vrijheid weer inleveren. Het was daarom niet gek dat de Esten de Duitsers in 1941 triomfantelijk ontvingen. Het was voor Estland een kans om hun vrijheid terug te winnen. De prijs daarvoor was hoog. De bevrijders veranderden in bezetters en werden in 1944 verjaagd door een oude bekende. In 1944 heroverde de Sovjet-Unie Estland.
Het duurde vervolgens 47 jaar voordat de Esten de onafhankelijkheid terug veroverden op 20 augustus 1991. Toch vieren de Esten deze dag niet als hun onhankelijkeheidsdag.
Estland hecht veel waarde aan de dag waarop de staat officieel onafhankelijk werd, 24 februari 1918. Trouw vieren ze op deze dag elk jaar de onafhankelijkheid. Ondermeer door een militaire parade in de hoofdstad Tallinn.

Van deze militaire parade, de emotionele reacties van de Esten en de onafhankelijkheid was ik verleden jaar getuige. Op 24 februari vertrok ik in de ochtend naar Vabaduse väljak, het Vrijheidsplein in Tallinn. Ik kwam aan op het nog verlaten plein. Het was koud, misschien kwam het daardoor? Het was met -15 de koudste dag sinds mijn aankomst, maar de zon scheen volop. De hele maand februari was het bewolkt geweest, maar op deze dag scheen de zon. Langzaam begon het plein vol te lopen. Ik bekeek de mensen die één voor één in groepjes het plein betraden. Ik zag gezinnen, oma’s en opa’s die verhalen vertelden aan hun kleinkinderen, uitgelaten jongeren en een enkele toerist. Langzaam begon het plein blauw, zwart en wit te kleuren. De kleuren van de Estse vlag. Het werd drukker en al gauw werd ik één met de mensen massa. Rechts van mij kwamen de eerste tanks aanrollen gevolgd door militaire jeeps. De eerste muzikale akkoorden werden door een orkest ingezet, het signaal voor de duizenden Esten op het plein. Uit volle borst werd het volkslied meegezongen. Straaljagers vlogen over en men applaudisseerden.
Op die dag raakte Estland mij in mijn ziel. Ik zag voor het eerst de trots van haar burgers en de emotie om mij heen die deze dag met zich mee bracht. Ik wilde alles in mij opnemen, ervaren zien en voelen. Ik wilde meer over Estland weten.

Ik legde de dag vast. Ik begaf mij in de mensenmassa en ving beelden door middel van mijn camera. Het resultaat is de fotoserie February 24th:

For English:  Continue reading